Member details
 Show in normal design
 
Soms waar, soms gedroomd, altijd oprecht
25 Jun, 15:59
Ze lopen hand in hand over het gras. Twee jongetjes, vrienden voor het leven. De ene is veel kleiner. Hij moet soms een tussensprongetje maken om de ander bij te kunnen houden. Ze hebben blote benen en armen. De zon schijnt, de lucht is blauw en de bloemen geuren. Af en toe wuiven ze de vliegen weg die om hun hoofd dansen.

Ze hebben haast. Recht voor ze ligt een lange weg die verder reikt dan ze kunnen zien. Het grote jongetje gaat steeds harder lopen. Ongeduldig trekt hij zijn vriendje voort. Het kleine jongetje hijgt. Hij heeft het warm en het zweet loopt in kleine straaltjes van zijn voorhoofd. Met een vuile hand veegt hij het weg.

Opeens staan ze stil. De grote jongen draait zich om. Zijn gezicht is grauw, zijn ogen bloeddoorlopen. Hij huilt geluidloos. Het kleine jongetje trekt aan zijn arm en ze gaan weer verder. Ze hebben nog een lange tocht voor de boeg voor het donker wordt en het licht verschijnt. De zon staat recht boven hun hoofd en het wordt steeds warmer. Er zijn geen wolken te bekennen. Vogels zoeken hun weg door de lucht. Insecten zoemen. Er waait een warme wind. De jongens lopen verbeten door. Er hangt een gouden gloed om hun blonde hoofden.

Een ongekende melancholie overvalt me. Ik ken het pad dat zij bewandelen. Ik herinner me het worstelen met de warmte, met de vliegen die om mijn hoofd cirkelden en met het steeds hoger wordende gras. Niet zo lang geleden liep ik hier ook. Met een vriendje, dat groter was, veel groter. Hij sleepte me mee over de steeds moeilijker begaanbare paden. Het gras kriebelde in mijn nek. Het onkruid maakte krassen op mijn huid. De vliegen kropen in mijn kleren en deden zich te goed aan mijn bloed.

De grond werd steeds drassiger. Mijn voeten werden vast gezogen in het slijk. De takken van de bomen leken steeds lager te komen. Ze zwiepten in mijn gezicht. We moesten bukken om door te kunnen lopen. Ik was wanhopig. Ik was bang dat we er nooit meer uit zouden komen. De onherbergzaamheid van het terrein leek ongeremd. De zon werd verduisterd door een dik bladerendak. Mijn hart klopte in mijn keel en angst en spanning wisselden elkaar af. Ik was nieuwsgierig. Het donkere bos moest immers een einde kennen. Ik zag de hoge zwarte bomen naderen. Mijn voeten deden pijn. Ik verloor alle moed. Ik was eruit gekomen, anders liep ik hier niet.

De jongens hebben nog een lange weg te gaan en moeten voort maken. Het kleine jongetje struikelt en grijpt zijn vriendje vast. Hij pakt hem bij zijn armen en schudt hem door elkaar. Ik duik even weg. Ik wil niet dat ze me zien. Deze tocht moeten ze zelf maken. Het kleine jongetje huilt hardop. Hij wil niet meer. Een terugweg is er echter niet. Ze moeten voort. Ik weet wat er door ze heen gaat en hoe moeilijk het is.

De zon staat laag aan de hemel. Door de takken en bladeren schemert een rode gloed. De jongens kruipen dichter tegen elkaar aan. Het water staat tot hun knieën. Ze worstelen zich een weg door de losse takken en ander afval. Ik voel pijn in mijn hart en in mijn voeten als ik aan hen denk. De herinneringen maken me angstig en opgetogen tegelijkertijd. Ik weet wat ze te wachten staat. Ik weet ook dat ze eruit komen. Net zoals ik eruit kwam.

Het is aardedonker. Ze schuifelen voorzichtig verder. Hun ademhaling is gejaagd. Vreemde geluiden klinken. Een hond huilt. Een ander dier krijst door de stille nacht. Het water stroomt langs hun benen. Ze lopen nog steeds hand in hand. Met hun andere hand tasten ze om zich heen. Hun oren gespitst. Hun ogen wijd open. Een enkele ster glinstert door de bomen als ze omhoog kijken.

Langzaam wijken de bomen uiteen. Hun ademhaling ontspant. De aarde is droog en het gras is kort. Een uitgestrekte vlakte ligt voor hen. In de verte brandt een fel licht. Het doet pijn aan hun ogen. Ze beginnen te rennen. Het kleine jongetje wordt meegesleurd en kan het bijna niet bijhouden. Uitgeput en buiten adem vallen ze neer bij het oogverblindende licht. Voorzichtig openen ze hun ogen. Twee vuile jongensgezichten kijken hen aan.

Verbaasd kijken ze naar elkaar en naar zichzelf. Ik lach om hun verbazing en herinner me hoe het was.

© Silver

13 Jun, 11:15
Hij kijkt om zich heen. In de wijde omtrek is niemand te zien. De lucht is grijs en de wereld ligt uitgeput en zwartgeblakerd aan zijn voeten. Hier en daar kringelt rook op uit dikke lagen as. Alle kleur is verdwenen, vervangen door een zwarte wereld van verval, een chaos waarin grauwheid de boventoon voert.

Hij kijkt naar zijn handen. Ze zijn bedekt door grijs stof. De mouwen van zijn jas worden gesierd door zwarte vegen en roetdeeltjes. Stof prikt in zijn ogen. Zijn lippen zijn droog. Hij zit op een hoge stapel verbrande resten, te kijken naar de puinhopen van zijn leven. De gammele ijzeren stoel wankelt als hij beweegt en dreigt hem naar beneden te sleuren, in een diepte die onvermijdelijk zal leiden tot het einde. Er gaat een rilling door hem heen. Is dit het einde? Is alle hoop vervlogen?

In zijn armen koestert hij zijn grote liefde, zij, aan wie hij zijn ziel gegeven heeft, zij die zijn leven bepaalt. Hij kijkt haar aan en blaast voorzichtig as en roet weg. Voor haar wil hij door het vuur gaan, haar lot ligt in zijn handen, zij is alles wat hij heeft. Hij klemt haar in zijn armen en kijkt naar de chaos. In gedachten hoort hij haar stem. Als hij zijn ogen sluit, ziet hij de rozen weer bloeien. Ze banen zich een weg door de grijze massa, kleine groene blaadjes springen op en slingeren over de kale grond. Aan ranke takken ontspringen talloze bloemen.

Hij zou zo graag nog één keer in zijn leven een wereld in kleur zien, nog één keer zijn geliefde horen zingen. Met een vertederde blik kijkt hij naar haar. Ze ligt levenloos in zijn armen. Er lijkt wat bruin te schemeren achter het grijze stof, of vergist hij zich? Hij aait haar zacht met zijn wijsvinger. Zijn hart springt op. Hij hoort het wel. Ze is er nog, het leven is niet volledig weggevloeid. Haar stem is zwak, maar onmiskenbaar.

Het vale licht verdwijnt langzaam. De wind steekt op. Dikke wolken pakken zich boven zijn hoofd samen. De hemel lijkt hem met een angstaanjagend wolkendek te willen toedekken. Hij kan de donkergrijze wolken met de zwarte koppen bijna aanraken. Hij duikt in elkaar, beschermt haar met zijn lichaam. Haar stem klinkt heel zacht als hij haar aanraakt. Hij is bereid tot het uiterste te vechten, voor haar wil hij zijn leven geven. Zonder haar is er niets meer.

Grote verlossende regendruppels vallen uit de hemel, regen die koelte brengt en het leven weer op laat vlammen. De aarde sist. Hij voelt de hitte op zijn gezicht. Hij staat voorzichtig op. Met zijn hoofd in zijn nek en met open mond vangt hij de regendruppels op. Hij likt het stof van zijn lippen en proeft het leven. Zijn hart klopt in zijn keel en hij springt op. Hij wankelt en valt enkele meters naar beneden.

Zijn jas en broek blijven haken aan verbrande resten en scheuren. Zijn hand bloedt. Hij schrikt van de rode kleur. Druppels bloed vallen op haar die hij lief heeft. Hij veegt het weg. Weer hoort hij haar stem. Hij gaat zitten en tilt haar op. Ze buigt enigszins mee. Hij kust haar als wil hij haar leven in blazen. Met zijn vingers beroert hij zacht haar flanken. Onder zijn handen komt ze tot leven, zachtjes vloeien de klanken door het stille land.

Het regent nog steeds, maar boven zijn hoofd breekt de lucht open en verschijnt een gloeiende zon. De wind neemt af. Overal schieten groene stelen de grond uit. Bloemen kringelen zich om zijn voeten. Hij gaat rechtop zitten en plaatst haar tussen zijn knieën. Ze is als was in zijn handen en buigt gewillig met zijn wensen mee. Zijn armen en benen trillen als hij haar aanraakt. Hoge klanken vinden een weg door het land, bloemen en takken reiken naar de hemel. Hij speelt het lied van de eeuwige liefde. Het lied van zijn leven. Het lied van de hoop. Een warme gloed stroomt door zijn lichaam. Een glimlach krult zijn mondhoeken.

© Silver

Met dank aan jou voor de inspiratie.
9 Jun, 16:29
De zon zakt langzaam weg. Het licht verandert van geel naar dieprood. Slierten nevel komen opzetten en bedekken het landschap met zachte dons. Een prachtig beeld verschijnt aan de rand van de heuvel, een silhouet van jou, scherp afgetekend tegen de rode lucht. Je sierlijke lichaam is nog net zo mooi als vroeger. Je haar danst om je hoofd. Nog heel even wil ik blijven kijken voor ik me terugtrek uit deze wereld in het huis dat eens van ons was.

Er is geen ons meer. Wij zijn verdwenen. De eenzaamheid daalt plotseling als een koude klamme deken op me neer. Er loopt een rilling over mijn rug. Het ging ergens fout en ik raakte je kwijt. Voorgoed en onomkeerbaar. Je komt steeds dichter bij me, als een godin rijs je op uit de mist, flarden nevel om je hoofd als een zachtroze stralenkrans, een levend standbeeld. Ik zie je eens zo prachtige ogen en je lange gouden haar voor me. Je bent zo mooi, zo lief, zo verward.

Het is lang geleden dat wij waren wat we wilden zijn, maar je beheerst nog steeds mijn gedachten en mijn dromen. Wat eens was en nooit meer terugkeert. Waarom? Die vraag stel ik mezelf voortdurend, maar een antwoord volgt nooit. Je beloofde me het einde van de wereld, ik gaf je gouden bergen, ik zag de sterren in je ogen en het zonlicht in je haar. Ik had je lief, voor eens en altijd. We zochten de ultieme eenheid en reikten naar de wolken. Ik viel hard terug op de wereld, jij bleef.

We waren sterk, een onverbrekelijk verbond tegen de anderen, dacht ik, maar ergens verdween er iets. Het glipte uit mijn handen. Ik keek nog achter me maar het was al weg, vervlogen in woorden en gebaren, verdronken in zeeën van mist. Jij haalde je schouders op. Ik keek je aan en je lachende ogen namen me mee. Ik volgde je op je tocht naar de nevel.

Het lachen werd schaarser. Je blik keerde naar binnen en de kou trad langzaam in. Je hart bevroor en de stemmen van anderen kregen de overhand. Waar het precies verkeerd ging weet ik nog steeds niet. Ik pijnig mijn hersens en zoek je overal. Jij bent iedereen en niemand is jou. Je bent opgelost in de mist en ik kan je niet meer vinden.

Je staat nu voor me, langzaam ga je zitten met je gezicht naar me toe, je ogen kijken in een leegte. Alle licht is gedoofd. Ik weet niet waar je gedachten zijn. Je zwijgt meestal. Soms zeg je iets, je hult je in raadselen en verwacht geen antwoord. Als ik tegen je praat, zie ik je ogen zich terugtrekken in sluiers van mist.

Ik wil je terug, jij met je lach, je grapjes, je gevatheid. Ik wil de glinstering in je ogen zien, ik wil dat je naast me huppelt, dat je danst met de zon en reikt naar de sterren. Ik wil je het onmogelijke en mogelijke laten zien. Ik zou je door elkaar willen rammelen, maar ik weet dat het niets uithaalt. Slechts een eenzame traan rolt over je wang, een verdrietige trek verschijnt om je mond. Ik wil dat je boos op me wordt. Ik wil dat je bij me bent, maar je bent gevangen in de duistere nevel.

Gevangen door de anderen, de anderen die jij creëert, die jij zo koestert. Je bent in hun macht. Ik probeer ze te breken, maar ze zijn sterk, sterker dan ik. Ik heb je nodig, mijn lief, zoek je kracht. Die anderen zijn het niet waard. Je wilt de mist niet, je verdient een stralende zon, een wolkenloze hemel vol sterren. Laat je demonen gaan en kom bij me.

In de mist van je ogen tast ik rond. De kou trekt in mijn botten en ik voel de kilte. Waar ben je, mijn lief?

© Silver

Lees hier het antwoord dat zij gaf.

2 Jun, 11:52
ik kleur bloemen
zo zwart als de nacht
een duister gevoed
door dromen
van mistig onheil

ik roep woorden
zo stil als de wereld
een mond gesnoerd
door zonnen
van rood fluweel

ik kus ogen
zo grijs als de zee
een golf overspoeld
door beelden
van geelgrijs geluk

elke dag
ben jij
mij

© Silver
Ik
25 May, 17:20
mijn handen,
voor je ogen
een verleden
het heden opgelost
gewist tot vage lijnen
in een stralende lucht

mijn handen,
voor je oren
een stilte
die slechts jij en ik is
geluiden gonzen na
in een zwijgend universum

mijn handen,
voor je lippen
een toekomst
uitgewist door tranen
woorden klinken na
in een land van liefde

mijn handen,
in de jouwe

© Silver
21 May, 21:00
Mijn wieg schommelde boven een afgrond en mijn gezond verstand vertelde me dat ons bestaan niet meer is dan een vluchtig kiertje licht tussen twee eeuwigheden van duisternis.* De afgrond heb ik veilig en zonder veel kleerscheuren achter me kunnen laten. Mijn wieg hangt er nog, verlaten en alleen, hij schommelt zachtjes mee met de wind. Soms is hij omgeven door bladeren en groeien er bloemen in, in donkere tijden hangt hij in een desolate omgeving. Hij begint te slijten en elk jaar brokkelen er kleine stukjes vanaf. Het is een kwestie van tijd voor hij naar beneden valt en in de peilloze diepte zijn eigen weg vindt.

Sinds ik mijn weg gevonden heb in het vluchtige kiertje licht dat mijn bestaan is, laveer ik tussen twee werelden, twee tegenpolen die ik liefheb en die ik zal koesteren tot het eeuwige duister komt, een donkerte waar ik uit voortkom en naar terugkeer, eens. Het licht en het donker, ze dupliceren zich tot in het oneindige en tekenen mijn wereld. Soms is alles stralend en helder, soms is het grijs en gehuld in schemerdonker, soms trekt het zwart op, kil, genadeloos en treffend.

Zij was het licht, ze straalde zo fel, dat het pijn deed. Haar prachtige ogen volgden me overal. Ze huppelde door mijn leven als een zonnestraal en was oogverblindend. Ik plaveide wegen met rozen en gooide haar handenvol liefde toe. We leefden in een onstuimige zee die zich hulde in diepdonkergrijs en glinsterend groen, we woonden in een oase van wit zand en zwarte stenen. We waren gelukkig, zo lang het duurde.

Toen ik haar leerde kennen, wist ik dat ik haar zou verliezen. Een andere kracht was vele malen sterker dan ik, een sluipmoordenaar die onverwacht zou toeslaan. Ik wist het en viel voor haar. Hij volgde, met het duister op zijn hielen, stilzwijgend op de achtergrond, klaar om te nemen wat van hem was. Zij lonkte naar hem, verleidde hem en fluisterde zachtjes als hij in de buurt was, haar ogen neergeslagen. Ik stond erbij en voelde een verschroeiende hitte zijn weg zoeken, een pijn tot diep in mijn botten.

Ik wist dat hij haar zou krijgen, uiteindelijk. Het duister was onweerstaanbaar en werd langzaam sterker. Zij hulde zich steeds vaker in een donkere wereld, verstopte zich in zwarte schaduwen en dook weg in spelonken van duister verdriet. Haar licht doofde tot een zwak vlammetje en ze werd heen en weer geslingerd tussen mij en hem. Hij was genadeloos. Hij pakte wanneer hij kon en zij liet het toe.

Een gekooid en angstig dier liep naast me. Ik klemde haar vast en voelde de weerstand. Als ik los liet, kwam ze terug, vergezeld van een oogverblindend licht. Ik zag hem nog net wegkruipen in het duister met zijn staart tussen zijn benen. Toch wist ik dat hij zou winnen. Het zou me overvallen, plotsklaps, maar ik leerde ermee leven. Soms vergat ik zijn bestaan, maar hij dook altijd weer op, klaar om haar te grijpen. Hij gaf haar wat ze diep in haar hart wilde. Haar behoefte aan vrijheid was te groot. Zij droomde van andere werelden, ze zocht spanning, ze wilde haar vleugels uitslaan en leven.

Het was oorverdovend stil op die ene ochtend dat ze voorgoed verdween. Ik tastte in een leegte en voelde haar warmte nog in mijn hoofd. De kou greep langzaam en geniepig om zich heen toen het besef tot me doordrong. Het stormde en slagregens teisterden de wereld. De lucht was grauw, net als mijn gedachten. De wereld was gehuld in een dichte deken van zwarte wolken en mist. De rillingen liepen over mijn rug en ijswater zocht zijn weg door mijn lichaam.

Zij zwerft nu door de wereld, verloren en alleen, in de duisternis. Zoals ze zo graag wilde. Ik geef haar wat ze nodig heeft, ik kan niet anders. Voorlopig trek ik me terug in het duister, tot de mist opgetrokken is. Het licht zal weer komen, zoals altijd. Het glooit al in de verte.

© Silver

* vrij naar de eerste zin van de biografie van Vladimir Nabokov - Speak, Memory - 1951

Lees ook Tussen twee werelden bij:
Carla
John
La
Leonie
Linde
Theo
Yozev

19 May, 20:06
je naam schrijf
ik in goud
op grauwe muren

je ogen schilder
ik in zilver
op een glinsterende maan

je haar leg
ik in koper
op rooddoorploegde velden

je lippen kleur
ik in purper
met een stille gloed

de wereld kent jou
ik ook

© Silver
13 May, 22:49
Een vonkenregen laait hoog op boven het vuur. Een zachte gloed laat grote schaduwen dansen op de hoge zwarte bomen. Het is doodstil. In de verte kraakt een tak en het vuur knettert. Het is oogverblindend. Vuur zal me altijd laten denken aan jou. De rode gloed, het zachte gepruttel, de geur van smeulend hout, soms vermengd met een vleugje dennengeur, likkende vlammen met een blauwe gloed. Het vuur en jij, ze tekenen mijn leven in as.

Weet je het nog, lief? Het is zo lang geleden, maar de herinneringen smeulen nog na. Je was mijn grote liefde, eens, in een ver verleden dat allang in vlammen opgegaan is. Ik ontmoette je, zomaar, vanaf de andere kant van de straat, sprongen de vonken op me af. Ik brandde me en vuur werd ons deel, knetterend en hoog oplaaiend, soms smeulend, maar altijd alles verterend, tot er niet meer dan een hoopje as overbleef.

We koesterden ons in de warmte, we waren roekeloos en zagen het gevaar niet. Het vuur kroop in me, als een sissende slang, een blauwe gloed achterlatend die door mijn huid scheen. Het leidde ons af van alles waar we mee bezig waren, een passie in alle denkbare vormen en van een ongekende schoonheid. De ruzies knetterden oordovend, de liefde was groots en meeslepend.

Jij, je was alles wat ik ooit had willen hebben en had durven dromen. Ik weet dat je weg bent en nooit meer terugkomt. Je bent verdwenen in een grijs verleden dat stof geworden is, je hangt in een dichte mist van herinneringen, maar het vuur brengt je even terug, als een onaards beeld dat uitstijgt boven de vlammen. Je bent nog steeds mooi. Een beeld dat op mijn netvlies geprojecteerd is als ik mijn ogen sluit en aan je denk.

Het vuur laait hoog op, de vlammen slaan fel uit. De warmte nadert. Die zachte warmte, ze is mooi, net zo mooi als jij, vroeger. Je was mijn vuurwezen, mijn eigen feniks. Je kon opbloeien tot een stralende, oogverblindende schoonheid, het vuur spatte uit je ogen. Je kon verbranden tot een klein kwetsbaar hoopje, met grote zwarte strepen op je wangen, achtergelaten door een stortvloed aan tranen.

We pasten niet bij elkaar, maar de passie leidde ons en bracht ons buiten zinnen. Tussen ons smeulde een vlammetje, dat we brandend hielden en opstookten tot een groots vuur. Het leidde tot vernietiging en kaalslag, maar dat merkten we pas later, toen het al te laat was.

Weet je het nog, lief? De avonden die we doorbrachten op donkere eilanden van verlangen? De dagen in de prille lentezon? De ruzies waar de vonken van afvlogen? De eindeloze uren in een stilstaand universum, waar tijd niet bestond en ruimte zinloos was, waar jij was en ik, niet meer en niet minder, omsloten door een razendsnel om zich heen grijpend vuur?

We werden roekeloos en konden niet meer terug. Lijdzaam keek ik toe hoe het vuur je vernietigde, langzaam en genadeloos. Je schrompelde ineen tot as, die door de wind verwaaid werd. Na talloze malen herrezen te zijn, bleef je liggen. Je kracht was weg.

We trokken een scherm op, een schild dat ons beiden moest beschermen tegen verwoestende krachten. Een drang tot vernietiging, in bedwang gehouden door wijze woorden. Langzaam maar zeker dreef je bij me weg, ik zag je gaan en stak vertwijfeld mijn handen naar je uit. Het vuur hield me tegen.

Weet je nog, lief?

© Silver
28 Apr, 19:32
Ik verwelkom je in mijn huis van liefde. Dit kan het huis van jouw geluk zijn, als jij dat wilt. Ik sier de muren met magische beelden, ik kleed het plafond in rode rozen en laat watervallen ontspringen langs traptreden. Planten slingeren zich langs de muren en een wolk vuurvliegjes verlicht de hele ruimte.

De takken met doornen worden fluweelbomen waar veelkleurige vlinders omheen dansen. Hoog boven ons hoofd zingen vogels een lied uit een ver verleden, een lied van liefde. De lucht straalt met duizenden sterren in de nacht en de warmte van de zon wekt ons elke morgen.

Dit huis, het is mooi en warm. Het is meer dan een luchtspiegeling. In gedachten houd ik het overeind, bouw ik stevige muren op een solide fundering. In dit huis bestaat geen gevaar, hier kan ellende je niet bereiken en is verval niet mogelijk. Dit huis is betoverd door liefde en tederheid, ingericht met warmte en emotie. Een huis dat je weerbaar maakt en het leven het aankijken waard. Een gedroomde utopie tot werkelijkheid gemaakt, een wereld in een droom leidend tot waarachtigheid.

Kom, mijn lief, geef je over aan dit huis en aan mijn liefde. Meer dan dit kan ik je niet bieden. Het is alles wat ik heb, een lichtend baken in donkere tijden, een vuurtoren die richting geeft en je leidt naar veilige oorden, een warme deken in de winter, een vuur dat ons eindeloos koestert.

Ik wil je voor altijd liefhebben. Ik wil jouw ogen zien als ik wakker word, in jouw armen wil ik in slaap vallen. De waan van de dag kan ons hier niet vinden, de dagelijkse werkelijkheid heeft geen toegang. Dit huis is onzichtbaar. Zelfs wij kunnen het soms niet vinden. Het is af en toe verborgen achter heuvels van pijn en verdriet, achter muren die ik met blote handen wil afbreken als ik weet dat jij erachter zit.

Alle gevaren zal ik trotseren, alle obstakels zal ik slechten, met maar één beeld voor ogen, het beeld van jou, in mijn huis. Ik geef je mijn wereld. Ik ontvang je met open armen, je ogen zijn verbonden met de mijne. Ik zie je voorzichtige glimlach voor me, je aarzeling voel ik als een pijnlijke angel in mijn hart. Twijfel niet, het is niet nodig. In alle openheid geef ik je mijn leven, ik leg mijn hart in je handen en open mijn ziel. Ik geef je toegang tot waar jij wilt zijn en wilt komen.

Ik verdrink in je stralende ogen, je huid verwarmt me. In je gezicht zie ik een land van beloften, een uitgestrekte vlakte van hoop en een wereld van mogelijk geluk. Je bent het mooiste wat ik ken en ooit gezien heb. Het liefste wat ik me voor kan stellen. Ik zou je willen koesteren tot in de lengte der dagen, je in mijn armen willen houden tot het einde der tijden en langer. Kom, blijf bij me, jij bent mijn alles, mijn heden, verleden en toekomst.
25 Apr, 11:48
Je zwerft tussen mijn hoofd en mijn hart en zoekt versleten wegen. Ik voel je dwarrelen, als een fladderende vogel dans je in de rondte. Je dwaalt rond, op zoek naar de platgetreden paden die ik heb versluierd met liefde, verborgen achter verdriet. Je loopt doelloos en zonder richting over een ongerepte vlakte. Soms daal je af in een peilloze diepte waarin je verdrinkt. Je klimt naar grote hoogten, zo hoog dat het je de adem beneemt en het uitzicht je duizelig maakt.

Ik vlieg met je mee op de wegen die jij gaat. Als ik mijn ogen sluit, zie ik de jouwe voor me. Je bent er als ik dat wil. Je ogen dansen in mijn blikveld en ik hoor de woorden die we niet nodig hebben. Stilzwijgend raakt jouw hart mijn ziel. Je ogen zijn een open boek. Ik lees het en draag het met me mee, altijd en overal. Ik voel je hand in de mijne, vingers verstrengeld in een magnetisch veld waarbij afstand niet telt. Je handen raken mijn hart, beroeren mijn hoofd, maken mijn knieën week en laten me voelen dat ik leef. Zonder woorden roep ik je naam, ik weet dat je er bent.

Ik heb je mijn hart gegeven. Je reageerde alsof je water zag branden en liet het vallen. Ik had het kunnen weten, het is een zwaar hart dat veel met zich meedraagt, een hart dat lichtvoetig wordt als het bij jou is, dat rondhuppelt in je handen en steeds weg wil springen, een zwaarmoedig hart dat jou de diepte in trekt.

Je liet mijn hart vallen en brak het, met mooie woorden en lieve gebaren. Je paaide me en ik trapte er met open ogen in. Ik liet me meevoeren door je mooie ogen die me vol warmte aankeken. Je aaide mijn wang, je armen vol liefde naar me uitgestoken. Ik waande me in de zevende hemel, om na verloop van tijd snel af te dalen naar de diepste krochten van de hel.

Je mooie woorden werden hatelijk, je ogen verbitterd en koud, je armen verborgen achter je rug en je tong een giftige angel die je met graagte gebruikte om lelijke steken toe te brengen. Blindelings sloeg je om je heen, je was er op uit om te kwetsen.

Ik probeerde met je te praten, maar je ogen keken me koud en vol afkeer aan. Je trok je terug in jezelf en draaide je om naar een ander. Een vogel gevlogen, snel klapwiekend en in angst verdwenen, een blinde reis naar de horizon en weer terug. Een zoektocht naar de ultieme liefde. Een utopische woede die leidt tot leegte en zinloosheid.

Ik lijm de resten en lik mijn wonden. De breuk zal helen en de littekens vervagen. Elk litteken een ongevoelige breuklijn, een hart vol barsten en scheuren, getekend door liefde. Ik sluit mijn ogen en zoek de jouwe. Aanschouw mijn hart. Hoor de woorden die ik tegen je spreek, neem mijn hand en raap de laatste scherven bijeen.