De zon zakt langzaam weg. Het licht verandert van geel naar dieprood. Slierten nevel komen opzetten en bedekken het landschap met zachte dons. Een prachtig beeld verschijnt aan de rand van de heuvel, een
silhouet van jou, scherp afgetekend tegen de rode lucht. Je sierlijke lichaam is nog net zo mooi als vroeger. Je haar danst om je hoofd. Nog heel even wil ik blijven kijken voor ik me terugtrek uit deze wereld in het huis dat eens van ons was.
Er is geen ons meer. Wij zijn verdwenen. De eenzaamheid daalt plotseling als een koude klamme deken op me neer. Er loopt een rilling over mijn rug. Het ging ergens fout en ik raakte je kwijt. Voorgoed en onomkeerbaar. Je komt steeds dichter bij me, als een godin rijs je op uit de mist, flarden nevel om je hoofd als een zachtroze stralenkrans, een levend standbeeld. Ik zie je eens zo prachtige ogen en je lange gouden haar voor me. Je bent zo mooi, zo lief, zo verward.
Het is lang geleden dat wij waren wat we wilden zijn, maar je beheerst nog steeds mijn gedachten en mijn dromen. Wat eens was en nooit meer terugkeert. Waarom? Die vraag stel ik mezelf voortdurend, maar een antwoord volgt nooit. Je beloofde me het einde van de wereld, ik gaf je gouden bergen, ik zag de sterren in je ogen en het zonlicht in je haar. Ik had je lief, voor eens en altijd. We zochten de ultieme eenheid en reikten naar de wolken. Ik viel hard terug op de wereld, jij bleef.
We waren sterk, een onverbrekelijk verbond tegen de anderen, dacht ik, maar ergens verdween er iets. Het glipte uit mijn handen. Ik keek nog achter me maar het was al weg, vervlogen in woorden en gebaren, verdronken in zeeën van mist. Jij haalde je schouders op. Ik keek je aan en je lachende ogen namen me mee. Ik volgde je op je tocht naar de nevel.
Het lachen werd schaarser. Je blik keerde naar binnen en de kou trad langzaam in. Je hart bevroor en de stemmen van anderen kregen de overhand. Waar het precies verkeerd ging weet ik nog steeds niet. Ik pijnig mijn hersens en zoek je overal. Jij bent iedereen en niemand is jou. Je bent opgelost in de mist en ik kan je niet meer vinden.
Je staat nu voor me, langzaam ga je zitten met je gezicht naar me toe, je ogen kijken in een leegte. Alle licht is gedoofd. Ik weet niet waar je gedachten zijn. Je zwijgt meestal. Soms zeg je iets, je hult je in raadselen en verwacht geen antwoord. Als ik tegen je praat, zie ik je ogen zich terugtrekken in sluiers van mist.
Ik wil je terug, jij met je lach, je grapjes, je gevatheid. Ik wil de glinstering in je ogen zien, ik wil dat je naast me huppelt, dat je danst met de zon en reikt naar de sterren. Ik wil je het onmogelijke en mogelijke laten zien. Ik zou je door elkaar willen rammelen, maar ik weet dat het niets uithaalt. Slechts een eenzame traan rolt over je wang, een verdrietige trek verschijnt om je mond. Ik wil dat je boos op me wordt. Ik wil dat je bij me bent, maar je bent gevangen in de duistere nevel.
Gevangen door de anderen, de anderen die jij creëert, die jij zo koestert. Je bent in hun macht. Ik probeer ze te breken, maar ze zijn sterk, sterker dan ik. Ik heb je nodig, mijn lief, zoek je kracht. Die anderen zijn het niet waard. Je wilt de mist niet, je verdient een stralende zon, een wolkenloze hemel vol sterren. Laat je demonen gaan en kom bij me.
In de mist van je ogen tast ik rond. De kou trekt in mijn botten en ik voel de kilte. Waar ben je,
mijn lief?
© Silver
Lees hier het antwoord dat zij gaf.